
Jurisprudentie
AZ0570
Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-11-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers78690 / KG ZA 06-312
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers78690 / KG ZA 06-312
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vestiging bij voorbaat van een stil pand recht op roerende zaken, te weten te velde staande beplanting, gevolgd door verkoop en levering bij voorbaat van deze beplanting aan een ander. Een deel van de beplanting is inmiddels aan de koper geleverd. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze ten tijde van de levering niet te goeder trouw is en zijn recht daarom niet kan tegenwerpen aan de pandhouder.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 78690 / KG ZA 06-312
Vonnis in kort geding van 13 oktober 2006
in de zaak van
de naamloze vennootschap
BANK BERCOOP N.V.,
gevestigd te Oldeberkoop,
eiseres,
procureur: mr. J.B. Dijkema,
advocaat: mr. E. Eshuis te Groningen,
tegen
de besloten vennootschap
HANDELSONDERNEMING [gedaagde] B.V.,
gevestigd te Emmen en kantoorhoudende te Nij Beets,
gedaagde,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij te Assen.
Partijen zullen hierna "Bank Bercoop" en "[gedaagde]" genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Bank Bercoop heeft [gedaagde] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 11 oktober 2006.
1.2. Bank Bercoop heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis - uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
I. [gedaagde] veroordeelt het rooien van de beplanting op de percelen:
- gemeente Makkinga, sectie P, nummers 804, 805, 437 en 905, bekend als perceel [naam 1], groot 27 ha 47 a en 85 ca;
- gemeente Makkinga, sectie H, nummers 270, 271 en 470, bekend als perceel [naam 2], groot 7 ha, 79 a en 35 ca;
- gemeente Makkinga, sectie F, nummer 599, bekend als [naam 3], groot 5 ha, 77 a en 70 ca;
- gemeente Makkinga, sectie H, nummer 278, bekend als [naam 4], groot 4 ha, 10 a, 80 ca;
- gemeente Makkinga, sectie G, nummer 818, bekend als [naam 5], groot 3 ha, 75 a;
- gemeente Makkinga, sectie F, nummer 588, bekend als [naam 6], groot 13 ha, 49 a, 55 ca;
- gemeente Makkinga sectie F, nummer 69 en sectie H, nummer 474, bekend als [naam 7] en [naam 4], groot 32 ha, 91 a, 40 ca;
- gemeente Noordwolde sectie P, nummers 862 en 384, bekend als [naam 8], groot 5 ha, 21 a;
te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] na betekening van het vonnis nalatig blijft dit vonnis na te komen en blijven, met een maximum van € 2.000.000,-;
II. [gedaagde] veroordeelt de reeds door haar gerooide boompjes van de hiervoor genoemde percelen ter beschikking te stellen aan Bank Bercoop, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 250.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis nalatig blijft dit vonnis na te komen en blijven, met een maximum van € 2.000.000,-;
III. Bank Bercoop vergunt de executie van haar pandrecht uit te oefenen op de hiervoor genoemde percelen en [gedaagde] veroordeelt deze executie te gehengen en te gedogen;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.
1.3. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Bank Bercoop, onder veroordeling van Bank Bercoop in de kosten van het geding.
1.4. Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.
1.5. Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De voorzieningenrechter doet heden uitspraak.
2. De feiten
2.1. De heer [betrokkene] te Elsloo exploiteert een boomkwekerij. Vanaf 31 oktober 1996 bestaat er een kredietovereenkomst tussen Bank Bercoop en [betrokkene] en zijn echtgenote. In eerste instantie is er krediet verstrekt voor een bedrag van € 750.000,-. Nadien is het krediet uitgebreid. Berekend tot en met 31 oktober 2006 staat een bedrag van € 1.504.422,36 open. Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [betrokkene] uit hoofde van de kredietovereenkomst zijn er ten behoeve van Bank Bercoop hypotheekrechten gevestigd op de onroerende zaken van [betrokkene] en zijn er pandrechten gevestigd op de huidige en toekomstige voorraden en pandinventaris van [betrokkene]. De akte van verpanding dateert van 29 maart 2000.
2.2. Laatstelijk, medio januari 2006, heeft Bank Bercoop voor [betrokkene] nog een extra kredietmogelijkheid geschapen van € 200.000,-. Met deze financiële injectie kon de onderneming van [betrokkene] het tot de oogst van de door hem gekweekte boompjes volhouden en zouden de boompjes door langere groei in waarde kunnen stijgen. Uit de opbrengst van het voorjaar van 2006 zou dan vervolgens de eerste inperking van het krediet ten bedrage van € 450.000,- kunnen plaatsvinden. Medio april 2006 heeft er nader overleg tussen Bank Bercoop en [betrokkene] plaatsgevonden, in het kader waarvan [betrokkene] te kennen gaf dat hij op dat moment nog 1.500.000 boompjes onder zijn hoede had en dat die na enige maanden groei gemiddeld € 2,00 per stuk konden opbrengen.
2.3. In mei 2006 is het Bank Bercoop gebleken dat [betrokkene] een overeenkomst met [gedaagde] had gesloten d.d. 27 maart 2006, waarbij hij aan [gedaagde] heeft verkocht de volledige aanwezige plantvoorraad op de percelen [naam 3], [naam 6], [naam 1], [naam 2], [naam 4], [naam 5] en [naam 8] te Elsloo, tegen een verkoopprijs van € 140.000,- exclusief BTW. Het betreft hier ongeveer 2/3 deel van de plantvoorraad van [betrokkene]. In de koopovereenkomst staat voorts vermeld dat de pacht van de percelen eveneens door [gedaagde] zal worden overgenomen. Vanaf 1 april 2006 tot en met 31 december 2006 pacht [gedaagde] de percelen waarop de overgenomen plantvoorraad zich bevindt in plaats van [betrokkene]. De betreffende pachtverhoudingen zijn in juni 2006 met de betrokken verpachters geformaliseerd.
2.4. Op de landerijen waarop de onderhavige plantvoorraad is gevestigd, is tevens beplanting geplant door Kwekerij [derde] te Joure.
2.5. Bank Bercoop heeft, nadat zij van de transactie tussen [betrokkene] en [gedaagde] op de hoogte was geraakt, de kredietovereenkomst met [betrokkene] opgezegd. Voorts heeft zij de inventariszaken van [betrokkene] tot zich genomen en nadien verkocht.
2.6. Bank Bercoop heeft, stellende dat er sprake was van een Paulianeuze rechtshandeling waardoor zij als schuldeiser van [betrokkene] benadeeld was, bij brief aan [gedaagde] van 11 augustus 2006 de koopovereenkomst tussen [betrokkene] en [gedaagde] ex artikel 3:45 BW buitengerechtelijk vernietigd. Voorts heeft Bank Bercoop zich in deze brief jegens [gedaagde] beroepen op haar pandrecht op de boompjes.
2.7. Nadat overleg met [betrokkene] omtrent de plantvoorraad niet mogelijk bleek te zijn, heeft Bank Bercoop het faillissement van [betrokkene] aangevraagd. [betrokkene] is nadien evenwel voorlopig toegelaten tot de WSNP-regeling.
2.8. [gedaagde] is al enige tijd doende de boompjes die staan op de velden die in gebruik zijn c.q. waren bij de onderneming van [betrokkene] te rooien. Ook [derde] heeft een deel van de door haar gevestigde beplanting gerooid.
3. Het standpunt van Bank Bercoop
3.1. Bank Bercoop vordert -kort samengevat- dat [gedaagde] haar rooiactiviteiten op de in geding zijnde percelen dient te staken, dat [gedaagde] de reeds gerooide boompjes dient af te staan en dat het Bank Bercoop wordt toegestaan over te gaan tot het zelf rooien en verkopen van de boompjes. Daartoe voert zij de volgende gronden aan.
3.2. Bank Bercoop stelt dat het pandrecht dat zij heeft gevestigd op de huidige en toekomstige voorraad van [betrokkene] met zich brengt dat zij gerechtigd is tot de opbrengst van de voorraad, bestaande uit de reeds geoogste en nog niet ingeoogste boompjes van de onderneming van [betrokkene]. Er is sprake van een bij voorbaat gevestigd pandrecht. Weliswaar zijn nog niet alle leveringshandelingen voor de datum van toepassing van de WSNP verricht, maar voor te velde staande beplantingen maakt de Faillissementswet in de artikelen 313 jo. 35 lid 2 een uitzondering. Van de bewindvoerder van [betrokkene] in het WSNP-traject heeft Bank Bercoop toestemming gekregen om haar rechten tot en met 30 juni 2007 uit te oefenen, zodat de machtiging van de kantonrechter ex artikel 3:237 lid 4 BW niet meer noodzakelijk is.
Gezien het voorgaande wenst Bank Bercoop over te gaan tot de oogst van de boompjes.
3.3. Bank Bercoop betwist dat [gedaagde] een sterker recht heeft op de te velde staande boompjes c.q. op de reeds gerooide boompjes.
3.3.1. In dat verband voert Bank Bercoop primair aan dat [betrokkene] aan [gedaagde] de te velde staande plantvoorraad weliswaar heeft verkocht, maar dat, zolang de plantvoorraad te velde staat, deze onroerend is. Voor overdracht van een onroerend goed is levering middels een notariële akte vereist, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers. Daarvan is hier geen sprake geweest. Rechtsgeldige levering van de plantvoorraad heeft dan ook niet plaatsgevonden en kan thans, vanwege de toepasselijkheid van de WSNP, ook niet meer plaatsvinden. [gedaagde] is dus geen eigenaar van de plantvoorraad geworden.
3.3.2. Subsidiair voert Bank Bercoop aan dat voor zover de koop door [gedaagde] moet worden gezien als de koop van roerende zaken bij voorbaat, een levering bij voorbaat van een toekomstig goed ex artikel 3:97 lid 2 BW niet werkt tegen een derde die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Het pandrecht van Bank Bercoop dateert reeds uit 2000. Omdat voor een pandrecht het hiervoor genoemde artikel ook geldt, heeft Bank Bercoop een ouder recht dan [gedaagde]. Dit geldt zonder meer ten aanzien van de nog te velde staande boompjes.
3.3.3. Ook ten aanzien van de reeds gerooide en thans in bezit van [gedaagde] zijnde boompjes heeft Bank Bercoop een sterker recht dan [gedaagde]. [gedaagde] was op het moment van inbezitname van de boompjes -in september 2006- niet te goeder trouw, aangezien Bank Bercoop reeds op 11 augustus 2006 aan [gedaagde] te kennen had gegeven dat zij een pandrecht op de boompjes had. Tegelijkertijd heeft Bank Bercoop de koopovereenkomst tussen [betrokkene] en [gedaagde] als zijnde Paulianeus vernietigd.
3.3.4. Meer subsidiair stelt Bank Bercoop dat de rechtshandeling waarbij de plantvoorraad door [betrokkene] aan [gedaagde] is verkocht als Paulianeus moet worden aangemerkt. De waarde van de verbintenis van [betrokkene] overtreft in aanzienlijke mate de waarde van de verbintenis van [gedaagde].
4. Het standpunt van [gedaagde]
4.1. [gedaagde] stelt dat zij gerechtigd is tot de onderhavige boompjes en het rooien daarvan. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd.
4.2. Er is sprake van verpanding van toekomstige goederen. Daarbij geldt als voorwaarde dat die toekomstige goederen voldoende bepaalbaar zijn, in die zin dat zij identificeerbaar zijn op het moment dat zij door de pandgever worden verkregen. Het feit dat er thans plantvoorraden van [betrokkene], [gedaagde] en [derde] door elkaar heen staan op de litigieuze percelen betekent dat de plantvoorraden van [betrokkene] hun identificeerbaarheid hebben verloren. Door deze zogenaamde oneigenlijke vermenging is het pandrecht van Bank Bercoop teniet gegaan.
4.3. [gedaagde] erkent dat de plantvoorraden op de percelen als onroerende zaak dienen te worden aangemerkt. Nu dient levering van dergelijke zaken weliswaar door middel van de inschrijving van een daartoe opgemaakte notariële akte plaats te vinden, maar deze levering heeft in het onderhavige geval al plaatsgevonden doordat de percelen waarop de plantvoorraden zich bevinden middels pachtovereenkomsten bij [gedaagde] zijn komen te berusten. Indien de levering niet wordt geacht te zijn voltooid middels het sluiten van de koopovereenkomst en de indeplaatsstelling van de pachtovereenkomsten, dan heeft er juist geen levering van onroerende zaken plaatsgevonden, maar van roerende zaken op het moment dat de plantvoorraden worden gerooid. Op het moment dat plantvoorraden gerooid worden, vindt levering plaats aan een verkrijger te goeder trouw die wordt beschermd op grond van artikel 3:86 BW.
4.4. Ten aanzien van de stelling van Bank Bercoop dat levering bij voorbaat van een toekomstig goed niet werkt tegen een derde die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen merkt [gedaagde] op dat ook hier geldt dat middels de onderliggende koopovereenkomst en de overname van de pachtovereenkomsten levering aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden.
4.5. Er is geen sprake van een paulianeuze rechtshandeling bij de verkoop van de plantvoorraad door [betrokkene] aan [gedaagde]. De verkoopprijs was volgens [gedaagde] marktconform.
5. De beoordeling
5.1. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.
5.2. De vraag die in dit geding dient te worden beantwoord, is welke partij het sterkste recht heeft met betrekking tot de te velde staande plantvoorraad alsmede de reeds door [gedaagde] gerooide beplanting. In de hiernavolgende overwegingen zal de voorzieningenrechter de aan weerszijden gestelde rechten met betrekking tot deze zaken onderzoeken.
Het recht van Bank Bercoop
5.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er in het onderhavige geval -nu beplantingen die te velde staan onroerend zijn als bedoeld in artikel 3:3 BW- sprake van een bij voorbaat gevestigd (stil) pandrecht op roerende zaken als bedoeld in artikel 3:237 lid 4 jo. 3:97 BW. Voor vestiging van een dergelijk pandrecht gelden op grond van artikel 3:98 BW dezelfde eisen als voor de overdracht van roerende zaken. Vereist zijn derhalve een geldige titel, beschikkingsbevoegdheid en levering.
Levering van de bij voorbaat verpande beplantingen kan echter eerst bij het rooien van de beplanting plaatsvinden door inbezitneming van de beplantingen. Pas op dat moment worden de beplantingen roerend en heeft de verpanding effect.
In beginsel zou de levering bij voorbaat van de beplantingen doorkruist worden door de toepassing van de WSNP-regeling, nu artikel 35 jo. 313 Fw bepaalt dat levering niet meer geldig kan geschieden indien nog niet alle handelingen die voor een levering nodig zijn hebben plaatsgevonden op het moment dat de WSNP-regeling ingaat. Hierop wordt evenwel in het 3e lid van artikel 35 Fw een uitzondering gemaakt voor te velde staande beplantingen die reeds voordien uit hoofde van een zakelijk recht of een huur- of pachtovereenkomst aan de schuldenaar toekwamen. Derhalve kan er in weerwil van de toepasselijkheid van de WSNP-regeling een geldige levering van de beplantingen plaatsvinden. De conclusie is dan ook dat er een rechtsgeldig pandrecht is gevestigd op de te velde staande beplantingen van [betrokkene].
5.4. Voor de levering van toekomstige goederen geldt de eis dat bij de titel, maar ten laatste bij de levering, het toekomstig goed voldoende bepaald moet zijn. Dit houdt in dat het identificeerbaar moet zijn op het moment dat het door de vervreemder wordt verkregen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de door [betrokkene] geplante en aan [gedaagde] verkochte beplantingen onvoldoende identificeerbaar zijn. Het komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor dat de door een derde -Kwekerij [derde]- geplante beplantingen niet van de door [gedaagde] respectievelijk [betrokkene] geplante beplantingen te separeren zijn, ondanks het feit dat ze op dezelfde landerijen zijn geplant. Een professioneel handelende kweker zal zijn beplantingen, naar moet worden aangenomen, niet zonder enige vorm van afscheiding naast of te midden van de beplantingen van een andere kweker plaatsen. Voorshands acht de voorzieningenrechter evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [betrokkene] aangebrachte beplantingen onvoldoende identificeerbaar zijn vanwege door [gedaagde] zelf aangebrachte beplantingen.
5.5. Nu naar voorlopig oordeel de bij voorbaat verpande beplantingen voldoende bepaalbaar zijn, is er geen sprake oneigenlijke vermenging en is het gevestigde pandrecht van Bank Bercoop niet tenietgegaan. Er zal in dit geding dan ook worden uitgegaan van een bestaand pandrecht van Bank Bercoop op de te velde staande beplantingen en de gerooide beplantingen.
Het recht van [gedaagde]
5.6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben [betrokkene] en [gedaagde] bedoeld de te velde staande beplanting bij voorbaat te leveren als zijnde een toekomstig goed in de zin van artikel 3:97 BW. Een levering bij voorbaat werkt volgens het 2e lid van dit artikel niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Op dit uitgangspunt geldt evenwel een uitzondering, die inhoudt dat de tweede levering bij voorbaat alsnog aan de eerste verkrijger kan worden tegengeworpen zodra de zaak in handen komt van de tweede verkrijger en deze op dat moment te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 BW is. Het bij voorbaat gevestigde pandrecht van Bank Bercoop is ouder dan het leveringsrecht (bij voorbaat) van [gedaagde]. In beginsel kan [gedaagde] dan ook de levering aan hem bij voorbaat van de te velde staande beplantingen niet tegenwerpen aan Bank Bercoop en heeft Bank Bercoop het sterkste recht op deze zaken. Dit geldt zonder meer ten aanzien van alle beplantingen die thans nog te velde staan. Ten aanzien van de reeds gerooide beplantingen is dit alleen dan anders indien [gedaagde] op het moment van bezitsverkrijging van deze beplantingen te goeder trouw was. Daarvan is echter geen sprake. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, ziet de vordering van Bank Bercoop terzake van de gerooide beplantingen op de vanaf september 2006 gerooide beplantingen. Ten tijde van het rooien van deze beplantingen was [gedaagde], gelet op de aan haar gezonden brief van Bank Bercoop van 11 augustus 2006 -waarin Bank Bercoop jegens [gedaagde] een beroep op het haar toekomende pandrecht heeft gedaan-, niet te goeder trouw.
5.7. Gezien het voorgaande kan [gedaagde] zowel ten aanzien van de thans nog te velde staande beplantingen als de in september 2006 gerooide beplantingen haar recht op levering niet tegenwerpen aan Bank Bercoop. Het pandrecht van Bank Bercoop gaat dan ook voor.
Dit brengt met zich dat [gedaagde] haar rooiactiviteiten op de in geding zijnde percelen dient te staken en dat zij de vanaf september 2006 gerooide beplantingen aan Bank Bercoop dient af te staan. De daartoe strekkende vorderingen van Bank Bercoop zijn dus toewijsbaar.
5.8. Nu de vorderingen van Bank Bercoop op bovenstaande gronden reeds toewijsbaar zijn, behoeft hetgeen partijen hebben aangevoerd in het kader van de door Bank Bercoop gestelde Paulianeuze rechtshandeling tussen [betrokkene] en [gedaagde] geen bespreking meer.
5.9. De gevorderde oplegging van dwangsommen is toewijsbaar als hierna te melden. De voorzieningenrechter zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen verbinden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit kort-geding-vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
5.10. Gelet op de door de bewindvoerder van [betrokkene] aan Bank Bercoop gegeven toestemming om haar rechten tot en met 30 juni 2007 uit te oefenen heeft Bank Bercoop niet de in artikel 3:237 lid 4 BW bedoelde machtiging van de kantonrechter nodig om de te velde staande beplantingen zelf in te oogsten. De -door [gedaagde] overigens ook niet zelfstandig betwiste- vordering van Bank Bercoop strekkende om haar te vergunnen de executie van haar pandrecht op de betreffende percelen uit te oefenen, en [gedaagde] te veroordelen die executie te gehengen en te gedogen, is dan ook toewijsbaar.
5.11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Overigens zal de gevraagde uitvoerbaarverklaring op de minuut worden afgewezen, aangezien Bank Bercoop voor wie terstond na deze uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn daarbij geen belang heeft.
6. Beslissing
De voorzieningenrechter:
A.
veroordeelt [gedaagde] het rooien van de beplanting op de percelen:
- gemeente Makkinga, sectie P, nummers 804, 805, 437 en 905, bekend als perceel [naam 1], groot 27 ha 47 a en 85 ca;
- gemeente Makkinga, sectie H, nummers 270, 271 en 470, bekend als perceel [naam 2], grot 7 ha, 79 a en 35 ca;
- gemeente Makkinga, sectie F, nummer 599, bekend als [naam 3], groot 5 ha, 77 a en 70 ca;
- gemeente Makkinga, sectie H, nummer 278, bekend als [naam 4], groot 4 ha, 10 a, 80 ca;
- gemeente Makkinga, sectie G, nummer 818, bekend als [naam 5], groot 3 ha, 75 a;
- gemeente Makkinga, sectie F, nummer 588, bekend als [naam 6], groot 13 ha, 49 a, 55 ca;
- gemeente Makkinga sectie F, nummer 69 en sectie H, nummer 474, bekend als [naam 7] en [naam 4], groot 32 ha, 91 a, 40 ca;
- gemeente Noordwolde sectie P, nummers 862 3n 384, bekend als [naam 8], groot 5 ha, 21 a;
te staken en gestaakt te houden;
bepaalt dat [gedaagde], voor iedere dag of dagdeel dat zij na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, een dwangsom verbeurt van € 25.000,-;
verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 500.000,-;
B.
veroordeelt [gedaagde] de vanaf september 2006 door haar gerooide beplanting op de hiervoor genoemde percelen ter beschikking te stellen aan Bank Bercoop;
bepaalt dat [gedaagde], voor iedere dag of dagdeel dat zij na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, een dwangsom verbeurt van € 25.000,-;
verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 500.000,-;
C.
vergunt Bank Bercoop de executie van haar pandrecht uit te oefenen op de hiervoor genoemde percelen en veroordeelt [gedaagde] om deze executie te gehengen en te gedogen;
D.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Bank Bercoop begroot op € 816,00 aan salaris procureur en € 332,87 aan verschotten;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Postma op 13 oktober 2006.